7.5 Waarderingsgrondslagen
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De jaarrekening is conform bijlage VIII ‘informatieproducten van de SVB’ van de Regeling SUWI opgesteld. De jaarrekening omvat de financiële verantwoording van de sociale verzekeringswetten (SV-wetten) uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de exploitatiekosten en -opbrengsten voor de gehele bedrijfsvoering van de SVB. De verantwoording over de Niet-SV-geadministreerde regelingen geschiedt via separate verantwoordingen, ten behoeve van het desbetreffende ministerie of ander verantwoordelijk orgaan. De jaarrekening wordt gepresenteerd in euro’s, dit is tevens de functionele valuta.
De grondslagen en regels voor het opstellen van deze jaarrekening, die voortvloeien uit de Regeling SUWI, zijn afgeleid van Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ). Activa en passiva zijn opgenomen tegen verkrijgingsprijs, tenzij anders vermeld. Afwijkingen ten opzichte van Titel 9 Boek 2 BW zijn hierna toegelicht.
De Regeling SUWI schrijft voor dat de financiële verantwoording van de uitvoeringskosten en uitkeringslasten naar wet/regeling wordt gesplitst. In de staat van baten en lasten en in de toelichting wordt deze indeling gehanteerd. Dit wijkt af van de categoriale indeling.
De Regeling SUWI schrijft voor dat de financiële verantwoording van de uitvoeringskosten verantwoord wordt op kostensoort niveau. Hierdoor worden de afschrijvingskosten niet separaat verantwoord en toegelicht, maar opgenomen onder de kostensoort huisvestings- en automatiseringskosten. Dit wijkt af van de categoriale indeling.
Volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 210.0) dient een immaterieel vast actief te worden geactiveerd indien aan de daarvoor geldende criteria wordt voldaan. Echter in bijlage VIII van de regeling SUWI wordt in 2026 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025, een bepaling opgenomen om RJ 210.0 ‘immateriële vaste activa’ buiten scope te plaatsen van de toepassing van Titel 9 Boek 2 BW. De wetswijzigingen die dit formaliseren worden nog doorgevoerd. De immateriële vaste activa hoeven niet meer geactiveerd te worden.
De SVB hanteert als waarderingsgrondslag voor de premiebaten en premievorderingen, conform de Regeling SUWI, de EMU-definitie. De EMU-definitie hanteert voor de premieontvangsten via de loonheffing een afwijkend verslagjaar namelijk 1 februari van het verslagjaar t/m 31 januari van het jaar dat volgt op het verslagjaar. Een nadere toelichting van de EMU-definitie wordt bij de waarderingsgrondslag van de vorderingen gegeven.
Voor het bepalen van de egalisatiereserve wordt in de jaarrekening uitgegaan van de voorwaarden zoals gesteld in de Regeling SUWI. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de egalisatiereserve.
Bepaling van het norm/fondsvermogen vindt plaats op basis van de Regeling SUWI. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op het fondsvermogen en normvermogen. De SVB stelt de jaarrekening op, op basis van de continuïteitsveronderstelling, aangezien de activiteiten van de SVB bij wet zijn geregeld en de Wet Financiering Sociale Verzekeringen en de Materiewetten de dekking van de kosten van de SVB garanderen. De verslagperiode is gelijk aan het kalenderjaar en loopt van 1 januari t/m 31 december. De gehanteerde grondslagen van waardering en van bepaling van het saldo van baten en lasten zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande boekjaar.
Onder de SV-taken vallen de volgende wetten/regelingen:
- Algemene Ouderdomswet (AOW)
- Algemene nabestaandenwet (Anw)
- Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
- Wet op het kindgebonden budget (WKB)
- Wet kinderopvang (Wko)
- Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) inclusief de tijdelijke regelingen verstrekkingen gerepatrieerden Libanon, Oekraïne en medische evacués Gazastrook (EVAC)
- Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers 2014 (TAS)
- Regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB)
- Overbruggingsregeling AOW (OBR)
- Remigratiewet (REM)
- Regeling Bijstand Buitenland (BBL)
Wijzigingen SV-taken
Vanaf 2021 geeft de SVB uitvoering aan de repatriéringsregeling, die door de minister van SZW werd afgekondigd voor Nederlanders en hun familieleden, die vanuit een gebied gerepatrieerd werden vanwege de politieke ontwikkelingen aldaar. De eerste groep gerepatrieerden betrof een groep uit Afghanistan. In jaren erop volgden de verstrekkingen gerepatrieerden aan Oekraïne (2022), Soedan (2023), Gazastrook (2023) en Libanon (2024).
In 2025 gaf de SVB naast uitvoering aan de tijdelijke regelingen verstrekkingen gerepatrieerden Libanon, Oekraïne ook uitvoering aan de medische evacués Gazastrook en geen uitvoering meer aan gerepatrieerden uit Soedan en Gazastrook.
In 2023 is de CSE-regeling geïntegreerd in de regeling TSB waarin ook aanverwante aandoeningen zijn ondergebracht. De nog lopende bezwaar en beroepszaken werden in de CSE-regeling in 2024 afgehandeld.
Vreemde valuta
Transacties in vreemde valuta worden omgerekend naar de functionele valuta (€) tegen de wisselkoers op de datum waarop deze transacties plaatsvinden. In vreemde valuta luidende monetaire activa en verplichtingen op balansdatum worden omgerekend in de functionele valuta (€) tegen de wisselkoers op balansdatum. Valutakoersverschillen die optreden bij transacties in vreemde valuta of omrekening van balansposten worden verwerkt in het saldo van baten en lasten.
Financiële instrumenten
In de jaarrekening wordt ingegaan op de risico’s met betrekking tot financiële instrumenten. In het bijzonder wordt een toelichting gegeven op het gebied van marktrisico’s, kredietrisico’s, liquiditeitsrisico’s en kasstroomrisico’s. De SVB maakt geen gebruik van afgeleide instrumenten en houdt geen handelsportefeuille aan. Het marktrisico is gezien de aard van de activiteiten van de SVB nihil. De SVB loopt een incassorisico over de debiteuren, aangezien de financiering van de SVB via het Rijk loopt, loopt de SVB voor de uitkeringsdebiteuren geen financieringsrisico. Indien noodzakelijk wordt, voor zowel de uitkeringsdebiteuren als de overige debiteuren, een voorziening voor oninbaarheid gevormd. De kredietrisico’s zijn nihil, omdat de financiële vaste activa bestaan uit vorderingen op het ministerie van SZW, als gevolg van het wijzigen van de bekostiging van kas- naar transactiebasis. Het ministerie rekent deze vordering bij beëindiging van de regeling af. De liquiditeitsrisico’s en kasstroomrisico’s zijn nihil als gevolg van de financiering door het Rijk (schatkistbankieren). Het ministerie van SZW staat garant als het gaat om de continuïteit en uitvoering van de SVB.
Schattingen
Het opstellen van de jaarrekening vereist dat de raad van bestuur van de SVB oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt, die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa, verplichtingen en van baten en lasten. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze schattingen. De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden periodiek beoordeeld. De herzieningen worden opgenomen in de huidige periode waarin de schattingen worden herzien en in toekomstige perioden waarop de herzieningen gevolgen hebben. Als het voor het geven van het vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze onderdelen en schattingen, inclusief de bijbehorende veronderstellingen, opgenomen bij de toelichting op de desbetreffende jaarrekeningposten.
Schattingswijzigingen
In 2025 zijn er geen schattingswijzigingen geweest.
Stelselwijziging
In 2025 zijn binnen de grondslagen voor de jaarrekening enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd die invloed hebben op de waardering van de balansposten.
Allereerst is in overleg met het ministerie van SZW een stelselwijziging toegepast voor de immateriële vaste activa, waarbij de verplichting tot activering komt te vervallen. Volgens de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 210.0) dient een immaterieel vast actief te worden geactiveerd indien aan de daarvoor geldende criteria wordt voldaan.
Dit zorgt voor wijzigingen in bijlage VIII van de regeling SUWI waarin een bepaling is opgenomen om RJ 210.0 immateriële vaste activa buiten scope te plaatsen van de toepassing van Titel 9 Boek 2 BW. De wetswijzigingen die dit formaliseren worden nog doorgevoerd, maar op basis van het overleg met het ministerie van SZW van 12 november 2025 mag deze wijziging al worden toegepast in de jaarrekening 2025. De impact hiervan is dat de SVB geen immateriële vaste activa hoeft te activeren. Omdat er in 2024 geen sprake was van immateriële vaste activa, heeft deze stelselwijziging geen effect heeft op het vermogen en het saldo van baten en lasten.
Daarnaast is in 2025, met terugwerkende kracht vanaf 2024, een wijziging van RJ 271 (RJ Uiting 2024-5 en 2024-17) van kracht geworden, waardoor voor de levensfaseregeling een voorziening moet worden gevormd. Voorheen werden de toekomstige lasten uit deze regeling niet als verplichting in de balans opgenomen. De wijziging van de richtlijn classificeert de regeling echter als een beloning met opbouw van rechten, omdat het recht op deelname afhankelijk is van leeftijd en diensttijd en de medewerkers deze rechten gedurende vijf jaar voorafgaand aan de 62-jarige leeftijd opbouwen. Hierdoor moet vanaf 2024 per rechthebbende een voorziening worden vastgesteld.
De wijziging in de levensfaseregeling resulteert in het vormen van een nog op te nemen voorziening per 1 januari 2025 met terugwerkende kracht van € 5,6 miljoen welke als rechtstreekse vermogensmutatie (egalisatiereserve) wordt gepresenteerd. De beginstand van de voorziening wordt gecorrigeerd voor de mutatie in de voorziening in 2024 met € 5,6 miljoen. Dit resulteert in een aanpassing van het vermogen en het saldo van baten en lasten over 2024 dat in overeenstemming met RJ 140, als volgt verwerkt is:
Tabel 7.4 Verwerking stelselwijziging egalisatiereserve (bedragen x € 1 miljoen)
Stand per 1 januari 2024 | 14,6 |
|---|---|
Oorspronkelijke mutatie 2024 | -2,7 |
Rechtstreekse vermogensmutatie Levensfaseregeling | -5,6 |
Stand per 31 december 2024 | 6,3 |
Dienstverlening en bedrijfsvoering
In de verantwoording worden de kortlopende vorderingen en schulden nader onderscheiden in dienstverlening en bedrijfsvoering. Dienstverlening gaat over de uitkeringen en de daarmee gepaard gaande financiering met betrekking tot de uitvoering van SV en niet-SV regelingen.
Bedrijfsvoering gaat over alle activiteiten die samenhangen met de uitvoering en organisatie van de SVB. Hiervoor wordt verwezen naar tabellen 7.7 'Vorderingen' en 7.17 'Kortlopende schulden' .
Wijziging in de presentatie
In de jaarrekening van 2025 worden verschillende tabellen aangepast als gevolg van wijzigingen in Bijlage VIII van de SUWI-regeling. De bijbehorende wetswijziging treedt op 1 april 2026 in werking, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025. Een belangrijke verandering is dat de begrotingskolom niet langer opgenomen hoeft te worden in de staat van baten en lasten. De aanpassing betreft met name de tabellen rondom de toelichtingen van baten en lasten, waardoor deze beter aansluiten bij de uniforme werkwijze zoals in de aangepaste bijlagen is voorgeschreven. De aangepaste tabellen zijn:
- Tabel 7.2 'Staat van baten en lasten ';
- Alle onderliggende toelichtingen van staat van baten en lasten, betreft de tabellen 7.20 tot en met 7.43 (exclusief tabel 7.37 t/m 7.39).
Ten opzichte van voorgaande jaren is tabel 7.37 'Bezettingsoverzicht ' aangepast. Vanaf dit verslagjaar wordt uitsluitend het gemiddeld aantal fte van interne medewerkers weergegeven conform RJ. In eerdere jaren omvatte de tabel tevens de externe inzet. Ter bevordering van de vergelijkbaarheid is het bezettingsoverzicht over 2024 overeenkomstig deze nieuwe presentatiewijze herzien.
Afrondingsverschillen
De jaarrekening wordt zorgvuldig opgesteld en gepresenteerd. De jaarrekening wordt direct gegenereerd vanuit het financiële systeem. Dit kan er toe leiden dat er verschillen ontstaan in de afrondingen en tussen diverse tabellen. De rekenkundige juistheid van de tabellen en de interne consistentie tussen de tabellen, zal hierdoor niet op een decimaal nauwkeurig zijn.
Leeswijzer
De verantwoording vindt plaats in miljoenen. Hierdoor is er soms een ‘-‘ (geen bedrag) of een ‘0’ (bedrag < € 50.000) in de tabellen opgenomen.
Grondslagen voor waardering van activa en passiva
Materiële vaste activa
De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, onder aftrek van lineaire afschrijvingen en eventuele bijzondere waardeverminderingen. Voorwaarde voor activering is dat de aanschafwaarde per object minimaal € 0,05 miljoen bedraagt. Jaarlijks wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere waardeverminderingen.
Materiële vaste activa, waarvan besloten is dat deze buiten gebruik worden gesteld, worden tegen de directe opbrengstwaarde gewaardeerd.
De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd:
| geen afschrijvingen |
|---|---|
| 50 jaar |
| 10-40 jaar |
| 3-15 jaar |
| 2-10 jaar |
| 2-10 jaar |
| geen afschrijvingen |
Afschrijvingskosten zijn niet afzonderlijk verantwoord en toegelicht in de staat van baten en lasten, maar opgenomen onder de kostensoorten huisvestings- en automatiseringskosten. Deze kosten zijn opgenomen in zowel de SV-taken als de niet-SV taken. Als een schattingswijziging plaatsvindt van de toekomstige gebruiksduur, dan worden de toekomstige afschrijvingen aangepast.
Boekwinsten en -verliezen uit de incidentele verkoop van materiële vaste activa worden in het boekjaar van realisatie verantwoord in de staat van baten en lasten.
Er is geen sprake van een verplichting tot herstel na afloop van het gebruik van een gebouw. Voor de toekomstige kosten van groot onderhoud aan de bedrijfsgebouwen is een voorziening voor groot onderhoud gevormd.
Financiële vaste activa
Vorderingen worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Indien er geen sprake is van agio of disagio en transactiekosten, is de geamortiseerde kostprijs gelijk aan de nominale waarde van de vorderingen.
In 2012 is de bekostiging van de door het Rijk gefinancierde wetten en regelingen gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. In de voorbereiding op de stelselwijziging was als voorwaarde gesteld dat deze wijziging geen budgettaire consequenties mocht hebben. Daaruit vloeit voort dat de genoemde vordering als langdurig moet worden getypeerd, aangezien zij niet eerder betaald wordt door het ministerie van SZW, dan bij beëindiging van de desbetreffende wet en/of regeling. Over de vordering wordt geen rente in rekening gebracht bij het ministerie van SZW.
Bijzondere waardevermindering vaste activa
Jaarlijks wordt, per balansdatum, beoordeeld of er aanwijzingen zijn dat een vast actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief vastgesteld. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroom genererende eenheid, waartoe het actief behoort. Van een bijzondere waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde. Een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt direct als last verwerkt in de staat van baten en lasten onder gelijktijdige verlaging van de boekwaarde van het betreffende actief.
Vorderingen
Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen de reële waarde van de tegenprestatie. Na die eerste verwerking worden de vorderingen gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Indien er geen sprake is van agio of disagio en transactiekosten is de geamortiseerde kostprijs gelijk aan de nominale waarde van de vorderingen. De vorderingen zijn, indien noodzakelijk, verminderd met voorzieningen voor het risico van oninbaarheid. Deze voorzieningen worden bepaald op basis van de verwachte inbaarheid van de vorderingen. Dotaties aan en vrijval van de voorzieningen voor oninbare uitkeringsdebiteuren worden verwerkt in de uitkeringslasten van de fondsen.
De premievorderingen AOW en Anw worden gewaardeerd volgens de EMU-definitie. Dit houdt in dat de premieontvangsten via de inkomstenheffing en de nabetalingen over de loonheffing en de inkomstenheffing worden toegerekend aan de baten in het jaar waarin deze zijn ontvangen door de Belastingdienst. Als gevolg hiervan worden de premieontvangsten via de loonheffing tussen 1 februari van het verslagjaar en 31 januari van het jaar dat volgt op het verslagjaar toegerekend aan de baten in het verslagjaar. Dit wijkt af van Titel 9 Boek 2 BW, waar wordt uitgegaan van een kalenderjaar. De vordering premiebaten op de Belastingdienst bestaat uit de ontvangen premies via afdracht loonheffing in de maand januari van het jaar dat volgt op het verslagjaar. De in het boekjaar meegenomen afdrachten loonheffing januari hebben betrekking op het verslagjaar en de reeds verstreken jaren. Nabetalingen worden verantwoord op kasbasis.
Liquide middelen
Liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde en bestaan uit kas- en banktegoeden met een looptijd korter dan twaalf maanden.
Fondsvermogen
Het fondsvermogen van de fondsen AOW en Anw bestaat uit twee onderdelen: het normvermogen en het vermogensoverschot/tekort.
Normvermogen
Het normvermogen is een gemiddeld vermogen dat nodig is om, gedurende het jaar, voldoende middelen te hebben om aan de verplichtingen te voldoen. Het normvermogen is daarmee een ijkpunt voor het meten van overschotten of tekorten. Een aanpassing van het normvermogen komt ten laste/bate van het vermogensoverschot/-tekort.
Vermogensoverschot/-tekort
Het verschil tussen het totale fondsvermogen en het normvermogen wordt aangeduid als het vermogensoverschot/-tekort. Het saldo van baten en lasten wordt toegevoegd of onttrokken aan het vermogensoverschot/-tekort.
Bestemmingsreserve en -fondsen
De bestemmingsreserve of het bestemmingsfonds is een afgezonderd vermogensbestanddeel met een, door de raad van bestuur bepaalde, specifieke bestemming. Met ingang van 31 december 2014 geldt dat in het SV-domein geen bestemmingsreserves worden gevormd zonder toestemming van het ministerie van SZW. Voor de fondsen gekoppeld aan taken buiten het SV-domein blijft de mogelijkheid bestaan om een bestemmingsreserve te vormen.
Bestemmingsfonds ICT
De SVB heeft met ingang van boekjaar 2021 een bestemmingsfonds ICT gevormd en in gebruik genomen. In een brief van 4 december 2025 heeft de staatssecretaris toestemming gegeven voor verlenging voor de vorming van dit bestemmingsfonds tot en met het jaar 2030. Voor het gebruik van het fonds geldt een aantal voorwaarden, zoals opgenomen in de brief van het ministerie van SZW.
Onderuitputting op het projectenportfolio mag in principe worden gedoteerd aan het bestemmingsfonds als hiermee geen negatief saldo van baten en lasten ontstaat (na mutaties fondsen en reserves) dat niet kan worden opgevangen binnen de vrije ruimte van de egalisatiereserve en waarmee de omvang van de egalisatiereserve onder 25% van het maximum uitkomt. Voor het projectenportfolio (change/legacy) is conform de IV-strategie jaarlijks ca. € 50 miljoen begroot inclusief de projecten met betrekking tot wet- en regelgeving. Het bestemmingsfonds ICT mag in deze jaren gevuld worden tot maximaal € 7 miljoen. In de jaarrekening wordt ieder jaar gerapporteerd over de toevoegingen en onttrekkingen aan het bestemmingsfonds. De SVB kan, via de goedkeuring op het Jaarplan of de reactiebrief op een tertaalverslag, het bestemmingsfonds aanspreken.
Egalisatiereserve
De SVB vormt een egalisatiereserve met overeenkomstige toepassing van artikel 33 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 5.10a, tweede lid, van de Regeling SUWI. Deze reserve wordt ingezet voor:
- Opvangen van schommelingen in de inkomsten en uitgaven;
- Reserveringen voor kosten die zich niet jaarlijks voordoen (bijvoorbeeld onderhoud bedrijfsmiddelen);
- Opvangen van overlopende verplichtingen (bijvoorbeeld projecten wet- en regelgeving);
- Onvoorziene uitgaven met een incidenteel karakter.
De in de jaarrekening op te nemen egalisatiereserve, zoals bedoeld in artikel 52 van de Wet SUWI, heeft slechts betrekking op de uitvoeringskosten. De egalisatiereserve bedraagt ten hoogste 5% van het over de voorgaande drie jaar toegekende budget voor de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet SUWI en bedraagt niet minder dan nul. De maximale hoogte ultimo 2025 bedraagt op basis hiervan € 17,5 miljoen.
Voorzieningen
Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op balansdatum bestaan, waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is te schatten. Toevoegingen aan en vrijval van verplichtingen worden ten laste respectievelijk ten gunste van de staat van baten en lasten gebracht.
De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen per balansdatum die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, tenzij anders vermeld. Voor een inhoudelijke toelichting per voorziening wordt verwezen naar paragraaf 7.6 onderdeel 8 'Voorzieningen'.
Wanneer de verwachting is dat een derde verplichtingen vergoedt en wanneer het waarschijnlijk is dat deze vergoeding zal worden ontvangen bij de afwikkeling van de verplichting, dan wordt deze vergoeding als een actief in de balans opgenomen.
Indien een voorziening nog niet is gevormd en de toekomstige verplichting wordt geschat op minder dan € 0,3 miljoen, wordt geen voorziening opgenomen.
Een lopende voorziening wordt opgeheven indien de resterende verplichting minder dan € 0,3 miljoen bedraagt en er geen nieuwe instroom van verplichtingen wordt verwacht. De grondslagen per voorziening betreffen:
- De voorziening ‘Sociaal Plan en Frictiekosten’ wordt bepaald door een berekening van individuele aanspraken en door individueel vastgestelde Werkloosheid (WW)-rechten. De voorziening is berekend op basis van de totale rechten, rekening houdend met de kans op herplaatsing van medewerkers;
- De voorziening WW is berekend op basis van de individueel vastgestelde totale WW-rechten, rekening houdend met de kans op herplaatsing van medewerkers;
- De voorziening ‘Dienstverlening Persoonsgebonden Budget (DPGB)’ is berekend op basis van de individueel vastgestelde totale WW-rechten, rekening houdend met de kans op herplaatsing van medewerkers;
- De waardering van de voorziening ‘Eigen risicodragerschap WIA’ wordt bepaald door de individueel vastgestelde rechten op een uitkering volgens de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), en de potentiële instroom in deze regeling, als gevolg van langdurige ziekte;
- De waardering van de voorziening 'Levensfaseregeling' wordt gewaardeerd op basis van de toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit het recht van medewerkers om vanaf 62 jaar minder te werken met gedeeltelijke doorbetaling. Omdat de regeling leeftijd- en diensttijdsafhankelijk is, kwalificeert deze als een beloning met opbouw van rechten (RJ 271), waardoor een verplichting ontstaat vanaf het moment dat het recht wordt opgebouwd. De waardering omvat de contante waarde van de toekomstige kosten, waarbij rekening wordt gehouden met salaris- en pensioenkosten, instroom- en blijfkansen, salarisontwikkelingen, disconteringpercentage en de opbouw van het recht in de vijf voorafgaande jaren.
- De waardering van de voorziening 'Jubileumgratificaties' wordt bepaald op basis van de individueel vastgestelde rechten bij het bereiken van een dienstverband van 25 jaar en 40 jaar. Hierbij wordt er rekening gehouden met de blijf kans. De contante waarde van de toekomstige verplichting wordt bepaald door het toepassen van een disconteringsvoet. Deze wordt bepaald aan de hand van het rentepercentage ‘lange rente’ dat het Centraal Planbureau in de meest recente Macro Economische Verkenning (MEV) publiceert. Er wordt rekening gehouden met verwachte toekomstige loonstijgingen;
- De waardering van de voorziening ‘Groot onderhoud’ wordt bepaald op basis van het geschatte bedrag van het groot onderhoud met betrekking tot de bouwkundige kosten en de periode tussen de werkzaamheden. De voorziening wordt bepaald aan de hand van een Meerjaren Onderhoudsplan met een looptijd van 16 jaar (2025-2040). Voor het bepalen van de toekomstige verplichting wordt jaarlijks rekening gehouden met een marktconforme indexatie. De indexatie wordt bepaald aan de hand van externe marktgegevens, waaronder de bouwkostenindex. Indien de kosten van groot onderhoud uitkomen boven de stand van de voor het desbetreffende actief aangehouden voorziening, worden de (meer)kosten verwerkt ten laste van de staat van baten en lasten;
- De waardering van de voorziening ‘Juridische procedures’ volgt uit een inschatting van mogelijke schadevergoedingen en/of claims uit lopende juridische procedures, inclusief de kosten van juridisch advies en proces gerelateerde kosten voor een mogelijke gerechtelijke uitspraak;
- De waardering van de voorziening ‘Eigen risicodragerschap ZW’ wordt bepaald door de individueel vastgestelde rechten op een uitkering volgens de Ziektewet.
Langlopende schulden
Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de langlopende schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Langlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs.
In 2012 is de bekostiging van de door het Rijk gefinancierde wetten en regelingen gewijzigd van kasbasis naar transactiebasis. In de voorbereiding op de stelselwijziging was als voorwaarde gesteld dat deze wijziging geen consequenties mocht hebben. Daaruit vloeit voort dat de genoemde schuld als langdurig moet worden getypeerd, aangezien zij niet eerder betaald wordt aan het ministerie van SZW, dan bij beëindiging van de desbetreffende wet en/of regeling. Over de schuld wordt geen rente in rekening gebracht bij het ministerie van SZW.
Kortlopende schulden
Kortlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Kortlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs.
Grondslagen voor bepaling van het saldo van Baten en Lasten
Toerekening van baten en lasten
Baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop deze betrekking hebben, tenzij anders vermeld.
Premies
De premiebaten AOW en Anw worden toegerekend volgens de EMU-definitie, zoals is toegelicht bij de vorderingen.
Financiering door het Rijk
Met uitzondering van de AOW en de Anw, worden de wetten en regelingen die de SVB uitvoert door middel van ‘financiering door het Rijk’ gefinancierd, de zogenoemde ‘Budget gefinancierde regelingen’. Op basis van de door de SVB ingediende begroting voor de uitkeringslasten, wordt een Rijksbijdrage toegekend die, conform het uitkeringspatroon, maandelijks gedurende het jaar door de SVB wordt ontvangen.
De premiebaten en de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) zijn bij de AOW onvoldoende om de uitkeringen en uitvoeringskosten te financieren. Daarom wordt van het Rijk een aanvullende financiering ontvangen, die via de ‘financiering door het Rijk’ wordt verantwoord. De hoogte van deze aanvullende financiering is gelijk aan het geraamde vermogenstekort voor het desbetreffende jaar. Het gerealiseerde vermogensoverschot/-tekort van het voorgaande jaar wordt in het huidige boekjaar verrekend.
Uitkeringslasten
De uitkeringslasten bij de SVB verwijzen naar de totale middelen die de SVB uitkeert aan uitkeringsgerechtigden voor de verschillende sociale wetten en regelingen zoals AOW, kinderbijslag en nabestaandenuitkeringen. De uitkeringslasten worden toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben.
Uitvoeringskosten
De SVB berekent kosten door aan de wetten en regelingen die uitgevoerd worden en aan derden. Binnen het SV-domein wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de kosten die direct toe te rekenen zijn aan de fondsen en regelingen ook direct hieraan worden toegerekend. Indirecte kosten worden toegerekend aan de kostendragers, op basis van voorcalculatorische verdeelsleutels (productie fte’s) die jaarlijks bij de begroting worden herijkt.
De doorbelastingen van de stafdirecties naar het domein
De doorbelastingen aan PGB en V&O worden gebaseerd op prijsafspraken met VWS.
De doorbelastingen van de stafdirecties naar het SV-domein vindt plaats op basis van voorcalculatie maar hierbij wordt tevens rekening gehouden met de kostenplaatsresultaten van de stafdirecties die door het toepassen van het systeem van voorcalculatie optreden.
Leasing
Op basis van het contract wordt bepaald of deze geclassificeerd wordt als operational of financial lease. De SVB maakt gebruik van operational leasecontracten. Deze worden niet op de balans geactiveerd. Leasebetalingen worden, rekening houdend met ontvangen vergoedingen van de lessor, over de looptijd van het contract op lineaire basis verwerkt in de staat van baten en lasten.
Interesttoerekening
De SVB is verplicht haar liquide middelen aan te houden op de rekening-courant bij het Rijk. Dit is vastgelegd in de Wet 'geïntegreerd middelenbeheer' en wordt ook geïntegreerd middelenbeheer of schatkistbankieren genoemd. Liquiditeitsschommelingen worden opgevangen in de rekening-courant met het Rijk. Hierover wordt rente betaald of ontvangen waarbij de daggeldrente ESTER wordt gebruikt. De rente wordt berekend over de valutaire standen van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025. De referentierente is in lijn met de gehanteerde methodiek vanuit het ministerie van Financiën.
Over de rekening-courantverhouding tussen de SVB, fondsen en derden wordt ook rente verrekend met een gemiddeld maandpercentage. Het gemiddelde maandpercentage is gebaseerd op ESTER voor respectievelijk creditsaldi en debetsaldi.
Het rentepercentage ten behoeve van de berekening kapitaallasten vaste activa is voor 2025 op basis van een driejarig gemiddelde vastgesteld op 1,18% (2024: 0,1%). Negatieve rentepercentages worden in de Regeling schatkistbankieren op nul gesteld.
Het saldo tussen de rekening-courantrente (SVB en fondsen) en de door de SVB gerealiseerde rente (inclusief gerealiseerde rente op de vordering op het ministerie van Financiën) wordt toegerekend aan de fondsen, op basis van de dagelijkse verhouding in de rekening-courantpositie met deze fondsen.
Bestemming saldo van baten en lasten
Bij de bestemming van het saldo van baten en lasten van de AOW en Anw wordt rekening gehouden met de noodzakelijke mutaties in het normvermogen. Het saldo van het vermogenstekort/overschot bij de AOW wordt door het Rijk in het jaar na vaststelling in de financiering betrokken.
Personeelsbeloningen
Lonen, salarissen en sociale lasten worden, op grond van de arbeidsvoorwaarden, verwerkt in de staat van baten en lasten, voor zover ze verschuldigd zijn aan werknemers en de Belastingdienst.
Voor de beloning met opbouw van rechten worden de verwachte lasten gedurende het dienstverband in aanmerking genomen. Toevoegingen aan en vrijval van de verplichtingen en voorzieningen worden ten laste respectievelijk ten gunste van de staat van baten en lasten gebracht.
Indien een beloning, waarbij geen rechten zijn opgebouwd, wordt betaald, wordt het meerdere opgenomen als een overlopend actief of zal worden verrekend met de toekomstige betaling.
Ontslagvergoedingen zijn vergoedingen die worden toegekend in ruil voor beëindiging van het dienstverband. Ontslagvergoedingen worden gewaardeerd op basis van de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichting af te wikkelen. Een uitkering als gevolg van ontslag (uit hoofde van een transitievergoeding en/of een vaststellingsovereenkomst) wordt als verplichting en als last verwerkt als de SVB zich aantoonbaar onvoorwaardelijk heeft verbonden tot betaling van een ontslagvergoeding.
Pensioenregeling
De SVB heeft alle pensioenregelingen verwerkt volgens de verplichtingenbenadering. De SVB verplicht haar werknemers om deel te nemen aan een pensioenregeling, overeenkomstig de bepalingen van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. Deze pensioenregeling, die op basis van RJ 271.3 wordt geclassificeerd als een toegezegde pensioenregeling (middelloon), wordt gefinancierd door premiebetalingen aan de Stichting Pensioenfonds ABP. De SVB heeft geen verplichting tot het voldoen van aanvullende bijdragen in het geval er een tekort ontstaat bij de Stichting Pensioenfonds ABP, anders dan het voldoen van hogere toekomstige premies. Op grond hiervan kunnen geen aanspraken op de SVB worden gemaakt door individuele deelnemers. De indexatie wordt jaarlijks door de Pensioenkamer vastgesteld.
De dekkingsgraad van de Stichting Pensioenfonds ABP bedraagt per 31 december 2025 121,7% (bron: website ABP, geraadpleegd op 17 februari 2026). Per 31 december 2024 was dit 111,9% (bron: website ABP, geraadpleegd op 28 januari 2025).
Op de Nederlandse pensioenregelingen zijn de bepalingen van de Nederlandse Pensioenwet van toepassing. De SVB betaalt de verplichte, contractuele of vrijwillige basispremies aan het ABP. De premies worden verantwoord als personeelskosten zodra deze verschuldigd zijn.
Vooruitbetaalde premies worden opgenomen als overlopende activa, indien dit tot een terugstorting of tot een vermindering van toekomstige betalingen leidt. Nog niet betaalde premies worden als verplichting op de balans opgenomen. De over het verslagjaar verschuldigde premie wordt als last verantwoord.
Financiële baten en lasten
Rentebaten en rentelasten worden tijdsevenredig verwerkt, rekening houdend met de effectieve rentevoet van de desbetreffende activa en passiva. Bij de verwerking van de rentelasten wordt rekening gehouden met de verantwoorde transactiekosten op de ontvangen leningen.
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen
Voor de uitvoering van de Wet normering topinkomens (WNT) zijn de ‘beleidsregels toepassing WNT’ van toepassing. De SVB maakt, op verzoek van het ministerie van SZW, gebruik van de modelverantwoording zoals deze door het ministerie van BZK ter beschikking wordt gesteld. In paragraaf 7.11 worden de bezoldigingen van de topfunctionarissen weergegeven.
Grondslagen voor bepalen van de kasstromen
Het kasstroomoverzicht is opgesteld met toepassing van de directe methode en bestaat uit drie onderdelen:
- kasstroom uit operationele activiteiten;
- kasstroom uit investeringsactiviteiten;
- kasstroom uit financieringsactiviteiten.
De kasstroom operationele activiteiten betreft alle operationele activiteiten die direct te maken hebben met de uitvoering van wetten en regelingen. Het betreft hier ontvangen premies en financieringen ten opzichte van de betaalde uitkeringen en uitvoeringskosten.
De kasstroom uit investeringsactiviteiten betreft investeringen en desinvesteringen van vaste activa.
De kasstroom uit financieringsactiviteiten betreft de financiering middels de rekening-courantverhouding met het Rijk.
