Uitvoeringskosten
De lasten van de SVB worden toegerekend naar regelingen die vallen onder de Sociale Verzekeringswetten (SV), gefinancierd door het ministerie van SZW en regelingen die worden uitgevoerd voor andere opdrachtgevers, met name het ministerie van VWS en derden/particulieren (niet-SV).
De sleutel voor de kostenverdeling, voor kosten die niet direct zijn toe te rekenen, is voor de SV-regelingen gebaseerd op de ingezette productieformatie per regeling. Vanaf 2022 wordt dit gebaseerd op de voorcalculatorische sleutels die in de begroting zijn opgenomen.
De doorbelastingen aan PGB en V&O worden gebaseerd op prijsafspraken met VWS. De direct toerekenbare kosten van PGB en V&O worden op basis van nacalculatie afgerekend.
In tabel 7.35 worden de totale uitvoeringskosten uitgesplitst naar SV en niet-SV. De toelichting spitst zich toe op de totale uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten niet-SV worden separaat aan het einde van deze paragraaf toegelicht in tabel 7.42.
Tabel 7.35 Uitvoeringskosten SV en niet-SV (bedragen x € 1 miljoen)
SV | Niet-SV | Totaal | ||||
2025 | 2024 | 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | |
Personeelskosten | 328,5 | 322,6 | 92,1 | 89,4 | 420,6 | 412,1 |
Huisvestingskosten | 22,5 | 22,0 | 5,0 | 4,5 | 27,5 | 26,5 |
Automatiseringskosten | 41,3 | 33,2 | 10,7 | 11,8 | 52,0 | 45,0 |
Bureaukosten | 4,6 | 4,4 | 1,0 | 0,7 | 5,6 | 5,1 |
Diensten en diversen | 14,8 | 14,6 | 5,0 | 4,6 | 19,8 | 19,1 |
Totaal | 411,6 | 396,7 | 113,7 | 111,1 | 525,4 | 507,8 |
Personeelskosten
De totale personeelskosten van € 420,6 miljoen worden in de onderstaande tabel nader uitgesplitst.
Tabel 7.36 Uitsplitsing personeelskosten (bedragen x € 1 miljoen)
2025 | 2024 | |
Lonen en salarissen | 254,4 | 235,6 |
Sociale lasten | 34,7 | 32,4 |
Pensioenen | 35,4 | 34,6 |
Uitzendkrachten | 14,6 | 18,8 |
Externe inhuur | 54,7 | 70,0 |
Overige personeelskosten | 26,7 | 20,6 |
Totaal Personeelskosten | 420,6 | 412,1 |
De totale personeelskosten vallen € 8,5 miljoen hoger uit dan in 2024. Dit betreft per saldo hogere kosten voor de interne formatie en overige personeelskosten en lagere kosten voor de inhuur van extern personeel en uitzendkrachten.
Interne personeelskosten
De interne personeelskosten (lonen en salarissen, sociale lasten en pensioenen) bedragen € 324,5 miljoen. Ten opzichte van 2024 vallen de kosten € 21,9 miljoen hoger uit.
De stijging in de kosten voor de interne formatie is vooral te verklaren door het effect van de reguliere loonontwikkeling en een stijging van het aantal fte's in 2025. In 2025 is gericht ingezet op het intern invullen van openstaande vacatures, waardoor de interne bezetting is versterkt en gegroeid.
In onderstaande tabel is de ontwikkeling van het totaal aantal fte’s tussen 2024 en 2025 in beeld gebracht:
Tabel 7.37 Bezettingsoverzicht internen 2025 (gemiddeld aantal fte's op jaarbasis*)
Omschrijving | Bezetting 2025 | Bezetting 2024 |
|---|---|---|
Dienstverlening SV | 2.254 | 2.230 |
DZW | 437 | 433 |
Hoofdkantoor (excl. IT) | 675 | 642 |
IT | 468 | 397 |
Totaal | 3.834 | 3.702 |
Van het totaal aantal fte’s zijn twee fte’s permanent werkzaam in het buitenland. Het gaat hierbij om de sociaal attachees van Marokko en Turkije.
Uitzendkrachten
De kosten voor uitzendkrachten bedragen in 2025 € 14,6 miljoen en zijn € 4,2 miljoen lager dan in 2024. De daling van de kosten voor de uitzendkrachten ten opzichte van 2024 is te verklaren door lagere inhuur doordat de interne vacatures ingevuld zijn.
Externe inhuur
De kosten voor externe inhuur bedragen in 2025 € 54,7 miljoen, een daling van € 15,3 miljoen ten opzichte van 2024. De oorzaak van de daling wordt volledig verklaard doordat meer openstaande vacatures intern zijn ingevuld, waardoor minder externe capaciteit hoefde te worden ingezet.
Het aandeel externe inhuur in de totale personeelskosten komt in 2025 uit op 13,0%, tegenover 17,0% in 2024.
Overige personeelskosten
De overige personeelskosten bestaan onder meer uit reiskosten (woon-werkverkeer), opleidingskosten, ARBO-kosten en kosten als gevolg van vormen van personele voorzieningen.
Stijging in de overige personeelskosten wordt voornamelijk veroorzaakt door de vorming van de voorziening 'Levensfaseregeling'. De voorziening heeft betrekking op werknemers, die in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027, de leeftijd van 62 jaar bereiken en die op grond daarvan recht hebben op deelname aan de levensfaseregeling.
Daarnaast nemen de ARBO- en geneeskundige kosten toe met € 0,5 miljoen. Dit komt door het hoge ziekteverzuim en de overstap naar een nieuwe ARBO-dienstverlener begin 2025. Deze overgang leidt tot hoge opstartkosten, omdat bestaande verzuimcasussen opnieuw moeten worden gevalideerd en gediagnosticeerd. Stijging van overige personeelskosten heeft ook deels te maken met stijgende reiskosten (toename van € 0,3 miljoen) als gevolg van de stijgende kilometer vergoeding en het doorvoeren van het SVB beleid waarbij de medewerkers minimaal twee dagen op kantoor aanwezig moeten zijn.
Tegenover deze stijging staat een daling van € 0,8 miljoen doordat in 2025 geen WKR-eindheffing verschuldigd was. De vrije ruimte binnen de WKR is dit jaar niet overschreden waardoor geen eindheffing hoefde plaats te vinden
Bezoldiging adviesorganen
In 2025 zijn er voor Audit Committee en de raad van advies vergoedingen vastgesteld. Het maximale bedrag voor vergoedingen aan commissieleden is geregeld in het 'Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies'.
De voorzitter en de leden van de Audit Committee hebben een vergoeding van € 361,- per vergadering ontvangen.
De leden van raad van advies hebben eveneens een vergoeding van € 361,- per vergadering ontvangen. De voorzitter van raad van advies heeft een vergoeding van € 722,- per vergadering ontvangen.
Tabel 7.38 Audit Committee
Naam | Functie |
|---|---|
De heer drs. R.J.A. Kerstens | Voorzitter |
Mevrouw M.A. Verhoef | Lid (tot 1 juli 2025) |
Dhr. J.P.M. Bendermacher | Lid (per 1 juni 2025) |
Mevr. M.J.H. Lamers | Lid (per 1 september 2025) |
Tabel 7.39 Raad van advies
Naam | Functie |
|---|---|
De heer F.J. Paas | Voorzitter |
Mevrouw S.M.J.G. Gesthuizen | Lid (tot 1 oktober 2025) |
De heer drs. R.J.A. Kerstens | Lid |
Mevrouw drs. K. Yücel | Lid |
Mevrouw R. van der Kruk | Lid |
Mevrouw M. Westerink | Lid (per 1 december 2025) |
Huisvestingskosten
In 2025 zijn de huisvestingskosten hoger uitgevallen ten opzichte van voorgaand jaar.
Deze stijging komt vooral door hogere rente- en afschrijvingskosten, waarbij de rente steeg van 0,1% in 2024 naar 1,18% in 2025. Dit resulteert in hogere kosten voor € 1,6 miljoen. Daarnaast namen de afschrijvingskosten toe door nieuwe investeringen. Stijging in de huisvestingskosten worden onder andere ook verklaard door de stijging in de onderhoudskosten (€ 0,6 miljoen), de schoonmaak- en beveiligingscontracten (€ 0,3 miljoen).
Daartegenover staat een daling van de energiekosten met € 0,5 miljoen als gevolg van lagere verbruikstarieven. Tot slot is de dotatie aan de voorziening groot onderhoud € 1,3 miljoen lager dan in 2024.
Automatiseringskosten
De automatiseringskosten zijn € 52,0 miljoen en zijn in de onderstaande tabel naar kostencategorie uitgesplitst.
Tabel 7.40 Automatiseringskosten (bedragen x € 1 miljoen)
Bedragen x € 1 miljoen | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
Hardware | 5,1 | 4,1 |
Software | 15,2 | 13,7 |
Spraak en dataverbinding | 0,4 | 1,1 |
Uitbestede diensten ICT leveranciers | 31,4 | 26,1 |
Totaal | 52,0 | 45,0 |
De totale automatiseringskosten bedragen € 52,0 miljoen voor 2025 en vallen € 7,0 miljoen hoger uit vergeleken met de kosten in 2024.
De kostenstijging wordt veroorzaakt door meerdere structurele ontwikkelingen. Hoewel de behoefte aan modernisering en de inzet van nieuwe applicaties toeneemt, kunnen de bestaande verouderde systemen en platformen voorlopig ook nog niet worden uitgefaseerd. Dit leidt tot hogere onderhoud- en licentiekosten en tot extra inzet voor beheer en ondersteuning. Daarnaast nemen de uitgaven toe door investeringen in dataveiligheid en applicatiebeveiliging, die essentieel zijn voor het waarborgen van digitale veiligheid en maatschappelijke weerbaarheid. Deze investeringen zijn noodzakelijk om te blijven voldoen aan de voortdurend aanscherpende beveiligingseisen en om de digitale weerbaarheid van de organisatie te kunnen waarborgen.
Overige kosten
De bureaukosten over 2025 bedragen € 5,6 miljoen en vallen € 0,5 miljoen hoger dan vorig jaar. De stijging komt vooral door hogere portokosten. Het rijksbrede overheidscontract liep medio 2025 af, waarna een overbruggingsovereenkomst van kracht werd met aanzienlijk hogere tarieven.
De kosten ‘diensten en diversen’ bedragen voor 2025 € 19,8 miljoen, een stijging van € 0,7 miljoen ten opzichte van 2024. Grootste stijging in de kosten betreft de reis-en verblijfkosten (€ 0,6 miljoen).
